Het brandende kaarsken (Leuven)
Lang geleden leefde te Leuven een rijk koopman, die al zijn geld en goed verkregen had door zich met lijf en ziel aan de duivel te verkopen. Naast zijn rijkdom bezat de man ook een groot verstand en hij wist zich te behelpen daar waar anderen hulp noch raad kenden. Maar op het einde van de zeven jaren kwam de duivel bij hem om hem te halen.
"Vrouw breng gauw licht voor de vreemde heer." zei de koopman.
" Dat is niet nodig," zei de duivel, "Ik kom maar voor u te halen."
"Jaja, dat weet ik wel," sprak de koopman, "maar geef mij toch nog zolang tijd tot dat eindje kaars is uitgebrandt." en hij toonde het kaarsje dat zijn vrouw had meegebracht. "Ik moet nog mijn handtekening onder enige brieven zetten en mijn jas aantrekken."
"Ja" sprak de duivel, "Het is welletjes, maar toch niet langer dan het kaarsje brandt".
"Goed", antwoorde de koopman. Hij ging in de nevenkamer en beval de meid een grote ton met water naast een diepe put te plaatsen, die juist in de hof gedolven was. De knechten haalden nog een ton bij, en als dat gedaan was, moesten zij hun schop nemen en zich rond de put opstellen.
Daarna keerde de koopman gauw bij de duivel terug. Hij zag dat het kaarsje maar twee vingers meer lang was en de duivel lachte en zei: " Ja, maak u gereed, het is er weldra mee gedaan.
"Dat weet ik en ik ben tevreden, maar ik houd mij aan uw woord en ik zal blijven tot het kaarsje is uitgebrand."
"Ja natuurlijk" antwoordde de duivel, "ik zal mijn woord houden."
"Het is toch zo donker in de kamer hiernaast," zei de koopman, "en ik moet mijn groot boek nog eens hebben, sta mij toe het licht voor een ogenblik te nemen."
"Gaarne," antwoordde de duivel,"maar ik ga mee."
En hij ging mee en de koopman werd steeds maar banger. Maar in de nevenkamer sprak hij ineens: "Ach, nu weet ik het, de sleutel steekt op de tuindeur."
En dat zeggend, sprong hij buiten met het kaarsje en liep de hof in en wierp het, eer de duivel was bijgekomen, snel in de put. De meid en de knechten goten de tonnen water erin en wierpen het gat met aarde toe.
Nu kwam daar de duivel ook in de hof en vroeg: " Nu, hebt gij toch de sleutel, en hoe staat het met het kaarske? Waar is het?"
"Het kaarske?" vroeg de koopman.
"Ja, ja, het kaarske."
"Haha," lachte de koopman, "dat is nog niet uitgebrand, het ligt hier wel honderd ellen diep in de grond."
En als de duivel dat hoorde, schreeuwde hij jammerlijk , hij verdween en hij liet een gruwelijke stank achter.