Navigation

User login

s

aanbollen = aankomen met een voertuig

aangedoan = ontroerd zijn door iets, ook: getroffen

aangenomen = geadopteerd

aangeroaken = verkrijgen

aangetroeteld = aangekleed

aangeven = niet in staat achten (ook : aanzeggen)

aanien = aan elkaar

aanienfoefelen = onzorgvuldig aan elkaar vastmaken, aaneenflansen

aannemen = genakkelijk leren

aanschieten = vlug aantrekken

aansloan = militaire groet brengen (salueren)

aantrok = succes

abinnen = langs binnen

aboven = bovenaan

abuiten = langs buiten

achterdeure = in de wolken zijn

achterklap = roddel

achterkomerke = laatste en jongste kind, dat met redelijk leeftijdsverschil is geboren ("nakomertje")

achter naor doen = nadoen, na-apen

achternoen = namiddag

achterste = zitvlak

achteruitontdeuinge = ontdooiingssysteem in de achterruit van auto's

achterwirk = zitvlak

achterwirs = achterwaarts

aet = hout

afbeulen = afmatten

afbieen = afpingelen, afdingen

afblieken = klaarder van kleur doen worden

afbollen = ergens weggaan, er vanonder muizen (ervandoor gaan)

afbustelen = afrossen, iemand een pandoering geven (pak slaag)

afdokken = betalen

afdweilen = aflopen

affaires = niets mee te maken hebben

affelke = navel van een pasgeborene

affreus = afschuwelijk

affront = blaam, vernedering, beschaamdheid, belediging

afgang = diarree (men zegt ook: afgank)

afgank = diarree (ook: afgang)

afgebusteld = feestelijk aangekleed of op zijn paasbest

afgeleefd = vermoeide en ouderdomstrekken vertonend

afgeven (nie ~) = niet ophouden, doorbijten, volharden (men zegt ook: nie pleujen)

afketsen = afwimpelen

afkroamen = afruimen

afkuischen = reinigen, schoonmaken

afleggen (zich) = uitrusten

afmotten = afranselen, afkloppen

afpietsen = afpingelen, afdingen

afplakker = sticker

afrijen = grasmaaien

afrijzen = afglijden

afrijzer = glijbaan

afslidderen = afvallen (zie ook: afslieren)

afslieren = afvallen (zie ook: afslidderen)

afsnakken = afsnauwen

afsteken = uitdoen (bijvoorbeeld broek uitdoen)

afstrijen = ontkennen/tegenspreken

aftasten = fouilleren

afterten = weggaan

aftrekker = kurkentrekker; flessenopener; vloerwisser (pakt dienen aftrekker en trektda woater ne kier weg)

aftroeven = afranselen

aftrok = klandizie

afvijzen = losschroeven

afwasmachine = vaatwasser

afzetterke = glas jenever

afzien = lijden

afzink = helling in de benedenwaartse richting (in den afzink van de Muur hehn d'achtervolgers hem ingehoals, hij was ter aan veur zijn moeite)

af zijn = afgebroken relatie

ah bah ja! = ach welja !

ailleurs (d' ~) = ten andere (voorbeeld: 't es d'ailleurs huugtijd damme doar was aan doen)

ajejajejajkes toch! = ajakkes

ajusteren = instellen

akkrootje = kleine maar toch ergerlijke onvoorziene moeilijkheid

akoteetje = bijkomstige, zijdelingse verdienste

alachter = achteraan

albijien = tesamen

algehwe = haastig, spoedig

algelijk = toch

alginter = aldaar

allee = overloop

alleman = iedereen

allicht = natuurlijk

allienlijk = slechts

allez = komaan, vooruit

allonge = verlengkabel (weette gij woar da'k ik die allonge geleid heh?)

allumetse = lucifer

allumeur = aansteker (echt Gentse woord, zie ook brikee)

allumeuse = meisje of vrouw dat/die met opzet de mannen seksueel opwindt maar zich dan spottend aan hun avances onttrekt

almenekier = opeens, plotseling

alonder = onderaan

alrap = al gauw, snel

altegoare = tesamen

alzeleven = altijd

ambetant = vervelend

ambetanterijen = moeilijkheden

ambetanterik = vervelend, lastig iemand

ambetantigheid = lastig iets

ambeteren = lastig vallen

ambras = drukte, poeha

ammeloaken = tafelkleed

amoal = allemaal

amusegul = aperitief, voorafje

amuzement = wens bij het weggaan bij iemand (allez, 't amuzement, tot loaters, hehn ?)

anbustel (vuilblik en n'~) = stoffer en blik

andjun = ui

annonske = kleine aankondiging

annorak = regenjas (klemtoon op de "o" van "annorak")

antroasie = aangedaanheid

apandisiet = blindedarm

apepree = ongeveer

apoart = afzonderlijk

appelblewziegroen = onbepaalde kleur

appelsien = sinaasappel

appeltsjoeze = gesuikerde appel op stok (de bekende appels op de kermis, appel gedompeld in rood snoep)

appetijtelijk = smakelijk, lekker

appliek = muurlamp

apprense = schijn

aprarchi = uitermate

aprilvis = aprilgrap

arrangeren = in orde brengen

ascenseur = lift

assenbak = asbak

aubetsje = lostaande krantenkiosk

auto-scooter = botsauto

autostrade = snelweg

auvoir = daag!

avance = vordering

awel = welnu

azijnpisser = zuurpruim

Reclame